Vanuit de visie van organisaties die opkomen voor betere grondrechten voor mensen met een verstandelijke handicap worden een aantal basisrechten geformuleerd (onder andere de International Planned Parenthood Federation en in Vlaanderen VMG).
Mensen met een verstandelijke beperking zijn, ondanks hun moeilijkheden om gevoelens te verwoorden en te begrijpen, seksuele wezens zoals iedereen. De drempelvrees bij ouders en hulpverleners (omwille van mogelijke risico's) is hiervoor vaak erg groot. Een gezonde seksualiteitsbeleving kan mogelijk uitingen als agressie en automutilatie doen beperken. Wel is het belangrijk om bewust te zijn van de kwetsbare positie die sommige mensen met een verstandelijke beperking hebben; seksueel misbruik komt bij deze doelgroep verhoogd voor.
Door hun hulpbehoevendheid op bepaalde vlakken (wassen, eten, kleding) hebben mensen met een verstandelijke beperking minder intimiteit dan anderen. Het is aan de gemeenschap om de persoon heen om te denken aan simpele zaken als kloppen op de deur (die gesloten kan worden), eigen sanitair, respect voor de lichamelijke intimiteit en respect voor geheimen.
Dit recht houdt in dat ouders en hulpverleners met de betroffen personen en niet over hun hoofd beslissingen nemen. Door de persoon te betrekken bij gesprekken en het op hun eigen niveau uit te leggen, kan hier aan tegemoet gekomen worden.
Het sociaal netwerk van relaties is bij mensen met een verstandelijke beperking vaak veel minder omvangrijk.
Ze hebben het ook moeilijker om vriendschap op te bouwen en te onderhouden. Personen die in een tehuis (residentieel) verblijven, leven vaak in een leefgroep. In dat geval wordt, om praktische redenen, voornamelijk vanuit de groep gedacht en wordt individuele opinie-vorming hierover minder benadrukt, hoewel sommige opvoeders dit recent meer en meer stimuleren.
Mensen met een verstandelijke beperking die minder ondersteuning nodig hebben, en een vorm van semi-residentieel wonen genieten of begeleid wonen, ervaren meer mogelijkheden om relaties uit te bouwen. Ze worden hier ook bij begeleid door maatschappelijk assistenten of orthopedagogen.
Mensen met een verstandelijke beperking mogen zelf beslissingen nemen over de invulling van hun leven, dus ook over het wel of niet kinderen krijgen.
Bij 70% van de gezinnen met ouders met een verstandelijke beperking verloopt de opvoeding van kinderen echter problematisch. Het voeren van gesprekken met hulpverleners blijkt lang niet altijd het gewenste resultaat te hebben. Mensen ervaren het als een aantasting van hun zelfstandigheid als hun wordt verteld dat ze beter geen kinderen kunnen krijgen.
In 2005 stelde de toenmalige staatssecretaris van Volksgezondheid van Nederland, Clémence Ross-van Dorp, voor om verstandelijk gehandicapten te ontmoedigen kinderen te krijgen. Zij wilde met een speciale richtlijn laten vaststellen of zij wel in staat zijn een kind te krijgen en op te voeden. Dit druiste echter in tegen het standpunt van belangenverenigingen en zorginstellingen die vinden dat een kinderwens gerespecteerd moet worden.
Mensen met een verstandelijke beperking hebben het vaak moeilijk om op de open arbeidsmarkt werk te vinden. Wanneer het werk echter opgedeeld wordt in aparte taken, kan elk van hen echter best een taak die hem ligt heel precies uitvoeren. Ook in beschutte of sociale werkplaatsen streeft men via ergotherapeutische aanpassingen naar "werk op maat". Mensen met verstandelijke handicap hoeven dus niet vanzelfsprekend onbetaald werk te verrichten in een dagcentrum, al kan dit ook een goede oplossing zijn.