De verschijnselen openbaren zich meestal tussen het vierde en elfde levensjaar. De verschijnselen kunnen na de puberteit verminderen, maar dat is niet noodzakelijk. De volgende tics kunnen al dan niet in combinatie met elkaar voorkomen:
Dit zijn voorbeelden, maar als motorische tic is bijna alles mogelijk.
Dit zijn ook voorbeelden, maar als vocale tic is ook heel veel mogelijk.
De bewegingstics kunnen elk lichaamsdeel treffen en de geluidstics kunnen variëren van keel schrapen en snuiven tot het ongewild luidkeels roepen van woorden en zinnen. De eerste verschijnselen van het syndroom manifesteren zich meestal rond de leeftijd van zes tot zeven jaar, soms ook later, maar in principe voor het 21e levensjaar. Voordien waren er vaak al diffuse klachten van overbeweeglijkheid en aandachtsstoornissen. Meestal ziet men aanvankelijk enkel motorische tics zoals oogknipperen, grimassen, hoofdschudden. Een of twee jaar later hoort men de eerste geluiden zoals keel schrapen, grom- of snuifgeluiden. Nog later treden vaak dwanggedachten en -handelingen op. Soms manifesteren de symptomen zich in een andere volgorde of allemaal tegelijk.
Men kan dezelfde tics behouden of steeds nieuwe krijgen die ook nog eens van dag tot dag kunnen wisselen in intensiteit. Er zijn echter geen twee mensen met het syndroom van Gilles de la Tourette hetzelfde, iedereen heeft zijn persoonlijke tics.
Mensen met het syndroom van Gilles de la Tourette (GTS) vangen vaak veel meer prikkels uit de omgeving op dan mensen zonder GTS, te vergelijken met hoog sensitieve mensen. Het verwerken van deze extra prikkels gebeurt vaak door middel van tics. Mensen met GTS zijn vaak gevoelige mensen die niet van verandering houden en minder tics hebben indien hun levenssituatie stabiel is.
Het syndroom van Gilles de la Tourette wordt ten onrechte vaak gebruikt als synoniem voor coprolalie. Deze tic is wellicht de meest bekende, maar zeker niet de meest voorkomende tic bij mensen die lijden aan het syndroom. Het syndroom werd ooit beschouwd als een zeldzame aandoening, maar uit recent onderzoek blijkt dat de prevalentie van het syndroom van Gilles de la Tourette relatief hoog is: ca. 5 op de 100 kinderen en 1 op de 100 volwassenen. Naar schatting is 20% van hen niet op de hoogte en/of zich niet bewust van de aandoening.
Ook kunnen mensen in de omgeving ervoor zorgen dat de tics verergeren, door om de tics te lachen of opmerkingen erover te maken. Dit verhoogt het aantal prikkels en kan de betreffende persoon nerveus en onzeker maken. Soms nemen mensen met tics ook andere tics over van mensen, vooral mensen met dwangstoornissen, bijvoorbeeld op een bijeenkomst van mensen met het Syndroom van Gilles de la Tourette. Hierdoor krijgen mensen met het syndroom van Gilles De La Tourette meer prikkels en worden de tics erger. Als mensen niet op de tics letten, kunnen de tics verminderen.