Wanneer er een herhalend en aandringend patroon van gedrag voorkomt dat niet in overeenstemming is met leeftijdsgebonden gedragsnormen, of dat de basisrechten van anderen schaadt, spreken we van een gedragsstoornis met normovertredend gedrag, oppositioneel-opstandig en antisociaal gedrag. Deze twee aandoeningen worden ook wel agressieve of disruptieve gedragsstoornissen genoemd.
De DSM-IV-TR bepaalt de diagnose naargelang de ernst (minder, net genoeg of meer verschijnselen) en naargelang de aangerichte schade (geringe, matige of aanmerkelijke schade) in welke mate het gaat om een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (ODD) dan wel een anti-sociale gedragsstoornis (CD).
Wanneer minstens een half jaar negativistisch, vijandig en openlijk ongehoorzaam gedrag is vastgesteld, spreekt de DSM-IV-TR van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (ODD).
Bij een anti-sociale gedragsstoornis gaat het om een zich herhalend en aanhoudend gedragspatroon, waarbij de grondrechten van anderen geweld wordt aangedaan of belangrijke bij de leeftijd horende sociale normen en regels worden overtreden.
Antisociaal gedrag bij kinderen en jongeren wordt opgedeeld in drie groepen met elk een mogelijke ontwikkeling naar minder en meer ernstig problematisch gedrag : conflicten met autoriteiten, openlijk antisociaal gedrag en heimelijk antisociaal gedrag.
Antisociaal gedrag houdt onder meer in dat het kind pest, bedreigt of intimideert, vaak aanzet tot vechtpartijen, wapens gebruikt, besteelt (buitens - of binnenshuis), wreed is (geweest) tegenover mensen en/of dieren, tot seksueel contact dwingt, liegt of beloftes verbreekt, 's nachts of overdag wegblijft ondanks verbod (vanaf 13e jaar), opzettelijk brand sticht, openbaar of privé-eigendom vernielt, vaak spijbelt (vanaf 13e jaar), en inbreekt.
Bij het diagnoseren wordt gekeken naar de mate van probleembesef, het bagatelliseren en ontkennen, de sociale vaardigheden (agressief uiten, fysiek-verbaal) en de omgang met leeftijdgenoten & opvoeders (empathie en schuldbesef).
Het bestaand probleemgedrag kan mogelijk ook voorkomen als een kortdurend experiment of als uiting van een andere stoornis. Bij kansarmen en in stadsbuurten komt de antisociale gedragsstoornis vaker voor. Ouderlijke verwerping, zeer strenge autoritaire opvoeding, frequente verandering of afwezigheid van ouderlijke figuren kunnen uitlokkende factoren zijn.
Zie ook: Anti-sociale persoonlijkheidsstoornis.
Een gedragsstoornis kan ambulant, in dagcentra of residentieel behandeld worden.. De behandeling moet het kind of de jongere de mogelijkheid bieden nadien in de hele samenleving te kunnen functioneren. Een contextuele aanpak houdt in dat ook ouders (psycho-educatie & gedragstherapie) en de school (gedragstherapie) in de hulpverlening betrokken worden. Medicatie wordt hier beperkt of niet voorgeschreven.
Hulpverlening is nodig omdat deze groep een verhoogde kans kent op depressie, problematisch middelengebruik en een gewelddadige dood.