• Poll

    • Ons kind en bezuinigingen
    • Geen probleem
      Financiƫle gevolgen
      Emotionele gevolgen
      Anders

De geschiedenis van ADHD

De gedragsproblematiek die nu ADHD wordt genoemd is in 1902 voor het eerst beschreven door de Britse kinderarts George Still.

In 1937 werkte de arts Charles Bradley in een inrichting voor moeilijk hanteerbare jongens. In plaats van deze jongeren door middel van harde tucht te leren hun gedrag aan te passen, besloot hij het gedrag te beïnvloeden door hen stimulerende medicijnen toe te dienen. Hij had al eerder ontdekt dat stimulerende medicatie, die onder andere werd toegepast als middel om af te vallen, een kalmerend effect had op mensen met bepaalde klachten.

In 1947 werd beschreven dat de gedragsproblemen werden veroorzaakt door kleine beschadigingen in de hersenen; Minimal Brain Damage (MBD) genoemd. Vanaf 1967 was men toch minder overtuigd van beschadiging en werd de term Minimal Brain Disfunction ingevoerd. Men is sindsdien onderzoek blijven doen naar wat we nu ADHD noemen. In de jaren 1970 kwam aan het licht dat ADHD geen typische kinderziekte is die rond de puberteit verdwijnt, maar dat zo’n 60% ook als volwassene last bleef houden van symptomen. Ondanks deze wetenschappelijke feiten bleef de algemene maatschappelijke mening nog lange tijd dat ADHD een opvoedingsprobleem was zonder biologische oorzaak. Ook al omdat men er in de psychoanalyse lang van uitging dat ADHD een neurotische afwijking was die veroorzaakt werd doordat de ouders steeds minder tijd en aandacht voor hun kinderen hadden.

Een belangrijke doorbraak kwam in 1990 toen men bij het vergelijken van PET-scans verschillen in hersenactiviteit ontdekte tussen volwassenen met ADHD en volwassenen zonder ADHD. Door middel van MRI-scans werden bij later onderzoek nog grotere verschillen ontdekt. Bovendien bleek uit nieuw genetisch onderzoek dat ADHD een familiekwaal was die voor ongeveer 75% erfelijk bepaald is.

Men was vroeger in de veronderstelling dat ADHD een typische kinderziekte was die rond de puberteit zou verdwijnen. Inmiddels is duidelijk dat tenminste een derde van de kinderen met deze aandoening op volwassen leeftijd nog steeds klachten ondervinden, meestal in de vorm van het subtype ADD.

Bron
Vorige Vorige