Acalculie is het onvermogen om cijfers en rekenkundige symbolen te herkennen.
In de psychopathologie beschouwt de patiënt de cijfers als een soort tekening. De stoornis komt vooral voor in de wandbeenskwab en achterhoofdskwab van de hersenen. Acalculie gaat vaak gepaard met fatische stoornissen.
Attention Deficit Disorder (ADD) is een aangeboren aandoening. Ze wordt veroorzaakt door een afwijking in de werking van de neurotransmitters. Dit leidt tot een veranderde activiteit in bepaalde gebieden van de hersenen. Volgens een algemeen gebruikt handboek voor de indeling van psychische aandoeningen, het DSM-IV, is ADD een subtype van ADHD (ADHD Predominantly Inattentive Type (ADHD-PI)), en wel het zogenoemde overwegend onoplettende type, gekenmerkt door een aandachtstekortstoornis en concentratieproblemen. ADD wordt meer dan ADHD in verband gebracht met depressie, angststoornissen en slechte schoolprestaties. Gedragsproblemen staan minder op de voorgrond. Onderzoek toont aan dat ADHD of ADD voorkomt bij 1 tot 4% van alle kinderen en dat zeker een derde deel er ook als volwassene nog last van ondervindt. ADD en ADHD komen voor bij mensen van alle opleidingsniveaus.
ADHD betekent Attention Deficit Hyperactivity Disorder, oftewel aandachtstekort/hyperactiviteitstoornis.
Het "aandachtstekort" slaat niet op onvoldoende aandacht krijgen. Wel kan iemand met ADHD onvoldoende aandacht schenken aan zijn of haar omgeving. Daardoor is het niet goed mogelijk om de aandacht bij één ding tegelijk te houden (concentratiegebrek). Een ADHD'er wordt snel afgeleid.
Hyperactiviteit kan zich uiten door lichamelijke onrust, maar ook door innerlijke onrust en impulsiviteit. Bij hyperactiviteit kan er ook sprake zijn van overmatige beweeglijkheid. Deze beweeglijkheid is door ADHD'ers vaak moeilijk te onderdrukken. Sommige ADHD'ers lijken zelf weinig tot niet bewust van hun eigen beweeglijkheid tot hen hierop gewezen wordt. De mate en manier van beweeglijkheid is voor elke ADHD'er verschillend. Sommigen maken voornamelijk grote bewegingen met benen of armen, sommigen friemelen meer met de vingers en handen. De beweeglijkheid kan in verschillende situaties ontstaan of verergeren. Over het algemeen zijn dat situaties met stress of een drukke omgeving (een situatie waarin veel prikkels moeten worden verwerkt).
Impulsiviteit ontstaat doordat teveel indrukken worden gevolgd door bijbehorend handelen. De handelingen moeten direct plaatsvinden en kunnen niet worden uitgesteld. Handelingen die eenmaal in gang zijn gebracht kunnen niet meer worden gestopt en moeten eerst worden afgemaakt. Er kan vaak minder goed onderscheid worden gemaakt tussen belangrijke en minder belangrijke zaken. Bij taken worden dan verkeerde prioriteiten gelegd.
Het voortdurend reageren op de omgeving en gevolg geven aan impulsen veroorzaakt het kenmerkende drukke gedrag van personen met ADHD.
Een antisociale gedragsstoornis is een psychische aandoening die in het DSM-IV is ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen. De aandoening wordt ook wel aangeduid met de Engels afkorting CD (Conduct Disorder). De gedragsstoornis komt voor bij ongeveer 2% van de kinderen voor, verhouding jongens, meisjes is 4 op 1. CD kan zich uiten in de kindertijd, maar ook in de adolescentie.
Kinderen met deze aandoening vertonen gedrag dat door hun omgeving als niet-acceptabel wordt beschouwd. Ze zijn bijvoorbeeld agressief (vechten, stelen, liegen, mishandeling, aanranding) of vertonen delinquent gedrag (stelen, brandstichten, vernielzucht, inbraak). Sommige kinderen zijn erg op zichzelf gericht en trekken niet veel met leeftijdsgenoten op. Andere kinderen zijn wel actief in groepsverband, maar vertonen daarin narcistisch gedrag: ze vinden dat voor hen andere regels gelden en hun contacten zijn erop gericht om er persoonlijk voordeel uit te putten. Verder hebben ze moeite hun relaties op de juiste manier in te schatten en hebben een verminderd inlevingsvermogen.
De oorzaak van de aandoening is niet altijd duidelijk, maar vaak bestaan er problemen tussen het kind en de ouders of geven de ouders het verkeerde voorbeeld. Ook is er vaak sprake van een lagere intelligentie en mindere prestaties op school.
Een antisociale gedragsstoornis komt vaak voor in combinatie met of als gevolg van andere ziektebeelden, bijvoorbeeld ADHD, een reactieve hechtingsstoornis of een aandoening in het autistisch spectrum.
Het DSM-IV geeft de volgende criteria voor de antisociale gedragsstoornis:
Afhankelijk van de mate waarin de omgeving schade ondervindt, wordt de aandoening als mild, gematigd of ernstig aangeduid.
Atypisch autisme is een pervasieve ontwikkelingsstoornis. Veel van de symptomen komen overeen met die van autistische stoornis, maar beginnen in een later stadium van de ontwikkeling van het kind (na het derde levensjaar) of voldoen niet aan de criteria voor sociale interactie, communicatie en verbeelding die voor autistische stoornis zijn gesteld.
Atypisch autisme wordt vaak gezien bij kinderen met ernstige mentale retardatie of bij kinderen met een ernstige specifieke ontwikkelingsstoornis van het taalvermogen.
In de ICD-10 is de aandoening geclassificeerd onder F84.1. Het DSM-IV beschrijft de aandoening niet afzonderlijk, maar noemt deze in de restgroep PDD-NOS.
Autisme is een pervasieve ontwikkelingsstoornis die zich kenmerkt door beperkingen in de sociale interactie, de communicatie en zich steeds herhalend gedrag. De stoornis is al aanwezig voor de geboorte, maar voor het derde levensjaar niet duidelijk zichtbaar, en het kan niet genezen worden. Een persoon met een ernstige vorm van autisme kan niet zelfstandig leven. Vroeger dacht men dat alleen mensen met een verstandelijke handicap autistisch konden zijn. Tegenwoordig wordt autisme als grotendeels onafhankelijk van de intelligentie beschouwd.
Wat de oorzaken van autisme betreft, zijn er nog maar weinig wetenschappelijk goed onderbouwde conclusies.
Autisme is afgeleid van het Griekse woord αὐτός, zelf.
De chronische of motorische ticstoornis is een ontwikkelingsstoornis waarbij gedurende minimaal een jaar motorische OF vocale tics optreden, dit in tegenstelling tot het syndroom van Gilles de la Tourette, waarbij de beide vormen van tics naast elkaar voorkomen.
Het DSM-IV vermeldt de volgende criteria:
DAMP staat voor Deficits in Attention, Motor Control and Perception (een tekort aan aandacht, motorische beheersing en perceptie) en is bedacht door professor Christopher Gillberg, een kinder- en jeugdpsychiater uit Zweden.
DAMP-syndroom lijkt op de "oude" term uit de jaren '60 MBD en kenmerkt zich onder andere door concentratiestoornissen, moeizame motoriek, en het moeilijker kunnen opnemen en verwerken van informatie.
Doordat de term MBD niet voldeed is men gaan zoeken naar andere concepten en kwam met de termen ADHD, later ook ADD en DAMP-syndroom. Het artikel van Gillberg dateert van 1986. DAMP suggereert niet een oorzakelijkheid zoals MBD (minimal brain damage/dysfunction) wel deed.
Er was vrij snel al kritiek op de term omdat de omschrijving nogal vaag zou zijn in tegenstelling tot ADHD en de grenzen tussen DAMP en gedragsstoornissen en DAMP en ADHD niet duidelijk zouden zijn. Daarbij zou de diagnose niet duidelijk te stellen zijn en weinig aanknopingspunten voor behandeling geven.
In 2003 werd door Gillberg de omschrijving gewijzigd:
Soepel bewegen, praten, uit je woorden komen, jezelf aan- en uitkleden, tandenpoetsen, billen afvegen, met mes en vork eten, veters strikken, een bal gooien en vangen, met een pen schrijven etc. Het lijkt allemaal zo gewoon dat kinderen deze vaardigheden leren. Voor sommige kinderen is dat echter niet zo gewoon. Dat kunnen kinderen zijn met DCD.
DCD staat voor Developmental Coordination Disorder, in het Nederlands vertaald als stoornis in de ontwikkeling van de coördinatie van bewegingen.
DCD is een verzamelnaam voor een aantal kenmerken van (licht) gestoorde motorische functies, zoals een lage spierspanning, een grote bewegingsonrust, coordinatieproblemen of problemen met fijnmotorische vaardigheden. Deze problemen kunnen apart voorkomen, maar veel vaker treden ze in combinatie op.
DCD lijkt voor te komen bij 5 tot 10 % van de schoolgaande kinderen. Vaak zijn het jongens. In diverse onderzoeken worden verhoudingen genoemd van 4 meisjes tegenover 10 jongens.
Dyscalculie is een ontwikkelingsstoornis op het gebied van rekenen. Het woord dyscalculie komt uit het Grieks en Latijn en betekent: slecht kunnen rekenen. Het voorvoegsel "dys" komt uit het Grieks en betekent "slecht". "Calculie" komt uit het Latijn en betekent "rekenen". Dyscalculie is een stoornis die gekenmerkt wordt door hardnekkige problemen met het leren en het vlot en accuraat oproepen en toepassen van reken-wiskundekennis. De rekenproblemen mogen niet veroorzaakt zijn door slecht onderwijs of didactische verwaarlozing. In dat geval wordt er niet gesproken van dyscalculie, maar van een rekenprobleem. De oorzaak moet dus in het kind liggen en niet in de omgeving. Dyscalculie komt ongeveer even vaak voor als dyslexie. Ongeveer 10% van alle kinderen heeft rekenproblemen en ongeveer 2% van alle kinderen is dyscalculisch. Uit onderzoek blijkt dat er een samenhang is tussen dyscalculie en dyslexie.
Dyslexie (uit het Grieks δυς- dys- ("beperkt") en λέξις lexis ("woord"), dus beperkt lezen) (ook wel (onterecht) als woordblindheid aangeduid) is een term die in de wetenschap gebruikt wordt voor ernstige problemen met het kunnen lezen van woorden. Over de achterliggende oorzaken is er nog veel discussie, maar meestal neemt men aan dat een dysfunctie in de fonologische verwerking van taal aan de basis ligt van het leesprobleem.
Dyspraxie is een motorische ontwikkelingsstoornis die leidt tot problemen bij het plannen en coördineren van motorische handelingen. Het is een stoornis bij het correct verwerken van informatie door de hersenen. Vaak gaat dyspraxie samen met problemen met de spraak, taal, waarnemen, denken en gevoelige tastzin. Verondersteld wordt dat dyspraxie veroorzaakt wordt door onvolgroeidheid of vertraging in de ontwikkeling van neuronen en bij ongeveer 2% van de bevolking zichtbaar is.
Dyspraxie staat ook bekend als: Developmental Dyspraxia, Developmental Co-ordination Disorder, DCD, Sensory Motor Disorder, Sensory Integration Dysfunction, Perceptuo Motor Difficulty, Clumsy Child Syndrome, Damp. In het DSM-IV is de aandoening ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen (315.4).
Encoprese of fecesincontinentie is het onwillekeurig afscheiden van ontlasting door kinderen die al zindelijk zijn.
De oorzaak is soms lichamelijk, bijvoorbeeld een neurologische aandoening, constipatie of onjuiste voeding. De oorzaak kan ook psychologisch van aard zijn, bijvoorbeeld angst om gebruik te maken van het toilet of verzet tegen zindelijkheid. In een enkel geval ligt de oorzaak in een psychische aandoening van het kind of een gezinslid.
Bij de behandeling gaat de arts eerst na wat de oorzaak is. Bij constipatie kan een laxeermiddel helpen. Als een kind zich verzet tegen zindelijkheidstraining of met een angst te kampen heeft, kan psychotherapie uitkomst bieden.
Enurese of enuresis is het onwillekeurig urineren door kinderen, meestal tijdens de slaap. Het verschijnsel wordt ook wel bedplassen of bedwateren genoemd.
Normaal krijgen kinderen tijdens hun ontwikkeling steeds meer beheersing over hun blaas vanaf het moment dat hun ouders hen leren zindelijk te zijn. Meestal hebben kinderen vanaf de leeftijd van vijf jaar geen last meer van bedwateren. Het komt echter voor dat het bedplassen ook na die leeftijd nog blijft doorgaan. Men spreekt dan van primaire enurese. Als het kind al een tijd zindelijk is geweest en daarna weer gaat bedplassen, noemt men dit secundaire enurese. In dit laatste geval kan er sprake zijn van urineweginfecties, suikerziekte of algemene ziekte, maar er kan ook sprake zijn van stress.
De behandeling van primaire enurese bestaat meestal uit verdere zindelijkheidstraining, bijvoorbeeld met een plaswekker. Bij secundaire enurese is het van belang om eerst de oorzaak te achterhalen.
Als er stress of een psychisch probleem ten grondslag aan de enurese ligt, spreekt men van een ontwikkelingsstoornis. Het DSM-IV geeft de volgende criteria:
Ernstige spraak- en taalmoeilijkheden of ESM (Engels: Specific Language Impairment, SLI) is een stoornis waarbij kinderen veel meer moeite dan normaal hebben om hun moedertaal te ontwikkelen. ESM komt voor bij circa vijf procent van de schoolgaande kinderen, en kinderen met deze stoornis vormen een van de grootste groepen binnen cluster 2 van het speciaal onderwijs (cluster 2 is voor dove en slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden en kinderen met communicatieve problemen).
De moedertaal is het primaire instrument waarmee kinderen zich ontwikkelen en de wereld om zich heen leren verkennen, begrijpen en verwoorden. Dove en slechthorende kinderen en kinderen met ESM hebben hier moeite mee. Normaliter leert een kind zijn emoties te beschrijven, zoals: Ik heb buikpijn. Ik vind Nijntje leuk. Ik vind Jantje gemeen. Ik ben bang. Ik ben blij. Echter bij kinderen met ESM komt het vaak voor dat ze deze emoties niet onder woorden kunnen brengen. Wel door mimiek, maar niet door spraak.
Kinderen reageren verschillend op de stoornis. Het ene kind heeft er niet zoveel moeite mee en wordt ook als een vrolijk kind gezien. Het andere kind is duidelijk gefrustreerd omdat het zich niet kan uiten. De iets oudere kinderen hebben moeite met hun ervaringen te verwoorden, of actief te luisteren en vragen te formuleren. Ook hebben zij meer tijd nodig om over dingen na te denken. Verder interpreteren zij wat anderen zeggen vaak verkeerd, doordat zij de intonatie niet begrijpen. De communicatie met leeftijdgenoten kan mede hierdoor frustrerend zijn.
De Commissie voor de Indicatiestelling beslist of een kind in aanmerking komt voor speciaal cluster 2-onderwijs en dus ook voor de bijbehorende financiering. Hiervoor wordt het kind op zijn of haar school getest door een logopedist en een orthopedagoog, die daarbij letten op het volgende:
Een indicatie is 3 jaar geldig: daarna moet het kind opnieuw worden getest. Volgens Bishop & Snowling (2004) zullen circa 50% van de kinderen met ESM leesproblemen blijven ervaren en dyslexie ontwikkelen.
Fixatiedisparatie is een oogafwijking, waarbij het punt waarnaar gekeken wordt niet op de corresponderende positie van beide netvliezen valt. Als het dominante oog wordt afgedekt, zal het andere oog een (kleine) standscorrectie uitvoeren. Fixatiedisparatie is dus te vergelijken met een milde vorm van scheelzien. Het komt vrij vaak voor en geeft niet altijd klachten. Mogelijke klachten zijn: hoofdpijn, vermoeidheidsklachten, moeite met lezen, en concentratieproblemen. Vlak na een periode van rust lukt bijvoorbeeld schoolwerk wel, maar naarmate de dag vordert wordt dat moeilijker of houdt het helemaal op. Een deel van de mensen waarbij een diagnose dyslexie gesteld wordt, lijdt aan fixatiedisparatie.
Het fragiele-X-syndroom is, een erfelijke aandoening, die gepaard gaat met een verstandelijke handicap, op autisme gelijkend gedrag en dikwijls bepaalde uiterlijke kenmerken. Het syndroom wordt veroorzaakt door een mutatie in een gen (FMR1) dat zich bevindt op het X-chromosoom. Ongeveer 1 op de 1500 mannen en 1 op de 2500 vrouwen heeft dit syndroom; dat zijn in Nederland ongeveer 2300 mensen; jaarlijks worden 20 jongetjes en 15 meisjes geboren met het ‘’Fragiele-X-Syndroom’’. Daarmee is het, op het syndroom van Down na, de meest voorkomende genetische oorzaak van mentale retardatie.
Een gedragsstoornis is in de kinder- en jeugdpsychiatrie een psychiatrisch ziektebeeld bij kinderen. Wanneer afwijkend gedrag gestuurd wordt vanuit de aanleg (erfelijkheid of aangeboren afwijking), spreekt men van gedragsstoornis. Wanneer men de oorzaak echter situeert in de omgeving, spreekt men van een gedragsprobleem. De stoornissen maken deel uit van de ontwikkelingsstoornissen.
Er treedt vaak een mengeling op van stoornis en probleem. Een strikte scheiding is moeilijk te maken. De stoornis manifesteert zich door probleemgedrag dat meestal eerder door de omgeving dan door het kind zelf als hinderlijk wordt ervaren. De omgeving is vaak de voornaamste hulpvrager.
Internaliserende en externaliserende gedragsproblemen hebben te maken met de manier waarop kinderen en jongeren omgaan met stress en emoties.
Het Irlen Syndroom is een visueel perceptuele afwijking die vooral het lees- en schrijfgedrag beïnvloedt. Kinderen met het Irlen syndroom hebben moeite met lezen omdat ze een tekst anders zien dan vlotte lezers: ze hebben bijvoorbeeld last van vervormingen of van de witte ondergrond van de tekst. Dit veroorzaakt o.a. vermoeidheid en concentratieproblemen waardoor ze minder presteren. Er is vastgesteld dat personen met dyslexie, lees- en leerproblemen vaak lijden aan het Irlen syndroom. Ook komt het voor in combinatie met dyscalculie, dysfasie, concentratiestoornissen (ADD) of hyperactiviteit (ADHD).
Met leerstoornis bedoelt men leerproblemen die in eerste instantie inherent zijn aan de persoon zelf. Men moet dus het onderscheid maken tussen leerstoornissen en leerproblemen.
Leerproblemen treden op wanneer er onvoldoende stimulatie is in de omgeving of er sprake is van een ondergemiddelde intelligentie. Men noemt deze ook wel secundaire leerproblemen. De persoon in kwestie vertoont leermoeilijkheden op allerlei vlakken.
Leerstoornissen daarentegen zijn primaire leerproblemen. Men vermoedt dat ze erfelijk zijn en personen met leerstoornissen bepaalde neurologische 'afwijkingen' bezitten. Kinderen met leerstoornissen beschikken gewoonlijk over een normale intelligentie. Belangrijke kenmerken van leerstoornissen zijn dan ook dat ze persisterend en specifiek zijn.
Er zijn een aantal problematieken die co-morbiditeit vertonen met leerstoornissen. Voorbeelden hiervan zijn ADHD en SLI.
Leerstoornissen kunnen een ingrijpend effect hebben op de persoon in kwestie. Vaak vertonen kinderen met een leerstoornis secundaire gedragsproblemen, bijvoorbeeld depressie, faalangst, agressie. Bij een foute aanpak en het aanhoudend verplichten van oefenen op de vaardigheid waarmee het kind problemen heeft en bij het telkens opnieuw wijzen op de talrijke fouten wordt het kind vaak schoolmoe. Het kan zelfs zo ver ontwikkelen dat er een schoolfobie ontstaat. Hierbij komt ook dat kinderen met leerstoornissen een gemakkelijk slachtoffer voor pesterijen vormen. Essentieel is hulpverlening die de aanpak van de stoornis in goede banen stuurt en een optimale communicatie tussen de hulpverlener en de ouders met de school.
Ook de ouders en het gezin kunnen ingrijpend veranderen. De zorgen rondom het kind kunnen het gezin domineren en spanningen creëren tussen de verschillende gezinsleden. Hierbij komt nog eens dat een leerstoornis veel tijd kan opslorpen door het maken van huiswerk samen met het kind of het vervoeren van het kind naar een therapeut. Broers of zussen voelen zich soms op een tweede plaats geschoven en kunnen op hun beurt ook gedragsproblemen vertonen. Het is belangrijk dat de ouders ook nog tijd vrijmaken voor zichzelf en voor eventuele broers of zussen.
Kinderen met leerstoornissen kunnen indien nodig aangepast onderwijs volgen (in Vlaanderen Buitengewoon onderwijs Type 8).
Enkele voorbeelden van leerstoornissen:
Meervoudig complexe ontwikkelingsstoornis (ook MCDD naar het Engelse multiple-complex developmental disorder) is een ontwikkelingsstoornis die wordt geclassificeerd als PDD-NOS, de restgroep van pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Het is een aparte ontwikkelingsstoornis waarbij niet alleen de contactproblemen voorop staan, maar ook problemen bij het reguleren van emoties en gedachten.
De symptomen die voor kunnen komen zijn in drie groepen in te delen:
MCDD is niet afzonderlijk omschreven in de ICD-10 of het DSM-IV-TR, dit zijn standaardwerken voor classificatie van aandoeningen. Een behandeling is gericht op het geven van structuur, het voorkomen en dempen van de angsten en het bevorderen van de gezonde mogelijkheden en vaardigheden. Dit verschilt weinig van autisme of PDD-NOS.
Sinds 2007 is MCDD niet meer een onderdeel van PDD-NOS maar een opzichzelfstaande diagnose binnen het Autistisch Spectrum.
Mentale retardatie (letterlijk geestelijke vertraging), intellectuele stoornis, geestelijke / verstandelijke handicap of mentale handicap is een naam voor een ontwikkelingsstoornis waarbij de verstandelijke vermogens zich niet met de normale snelheid ontwikkelen en meestal ook nooit een normaal niveau bereiken. De persoon heeft door het cognitief tekort moeite om volledig te functioneren, in vergelijking met leeftijdgenoten. Daarom wordt wel gesproken van een verstandelijke handicap of een verstandelijke beperking. De term geestelijk gehandicapt werd ook gebruikt.
Een niet-verbale leerstoornis (soms ook NLD naar de Engelse benaming non-verbal learning disorder) is een neuropsychologische aandoening, een leerstoornis die in de jaren 70 voor het eerst werd beschreven door de Canadees Byron Rourke. De stoornis levert vooral problemen op in de non-verbale communicatie, en ook op verschillende andere gebieden. Het opmerkelijke van deze aandoening is dat leerproblemen zich voornamelijk voordoen op non-verbaal gebied (functies van de rechterhersenhelft). De persoonlijkheden van mensen met NLD kunnen erg verschillen. De oorzaak is soms mogelijk gelegen in beschadiging of disfuncties van de witte stof in de rechterhersenhelft. Voor veel psychiaters is deze neuropsychologische diagnose niet zinvol, omdat deze als werkmodel niet is opgenomen in de officiële handboeken. De diagnose kan in plaats daarvan een specifieke leerstoornis zijn, een combinatie van leerstoornissen of in geval van zwaardere sociale problemen autisme, atypisch autisme of het syndroom van Asperger.
NLD is een neuropsychologische diagnose, waarbij het specifieke profiel van vaardigheden en tekorten door middel van neuropsychologisch onderzoek wordt vastgesteld. In het voortraject van het neuropsychologisch onderzoek is het van belang inzicht te hebben in de didactische ontwikkeling, naast een beeld van de structuur van de intelligentie en persoonlijkheidsontwikkeling.
De obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) is een psychische aandoening die in het DSM-IV is gecategoriseerd als angststoornis. De oude naam van de aandoening is dwangneurose. OCS komt in verschillende vormen voor, maar het meest voorkomende kenmerk is een obsessieve drang om bepaalde handelingen uit te voeren, die rituelen worden genoemd. De OCS-patiënt voert deze handelingen (compulsies) uit als reactie op dwangmatige gedachten (obsessies). Voor anderen lijken deze handelingen overbodig en zij hebben ook geen oog voor de details, maar voor de patiënt zijn deze handelingen van vitaal belang en moeten volgens een bepaald patroon worden uitgevoerd om vermeende nadelige gevolgen te voorkomen. Voorbeelden zijn het zeer vaak controleren of een deur gesloten is of het overmatig vaak wassen van de handen (niet te verwarren met de specifieke smetvrees of mysofobie).
Een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis is een psychische aandoening die in het DSM-IV is ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen. De aandoening wordt ook aangeduid met de Engels afkorting ODD (Oppositional Defiant Disorder).
Kinderen met deze aandoening zijn ongehoorzaam, maken ruzie, zijn driftig, houden zich vaak niet aan de regels en hebben meerdere problemen in de sociale omgang, vooral met volwassenen, maar soms ook met leeftijdsgenoten. De aandoening is te vergelijken met de anti-sociale gedragsstoornis, maar hoewel het kind ook opstandig en eigengereid is, zijn de symptomen over het algemeen iets milder van aard.
Niet zelden is er sprake van comorbiditeit, dat wil zeggen dat de aandoening samengaat met andere ziektebeelden, bijvoorbeeld ADHD, autisme of een reactieve hechtingsstoornis, waardoor de diagnose niet eenvoudig te maken is. Zo overlappen bijvoorbeeld de symptomen van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en ADHD. Bij ODD ligt de nadruk echter meer op agressiviteit en bij ADHD op impulsiviteit.
Het DSM-IV geeft de volgende criteria voor de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis:
Een ontwikkelingsstoornis is een neurologische of psychische aandoening die optreedt bij kinderen of adolescenten en die een belemmering en/of afwijking vormt in de normale ontwikkeling. Ook bij volwassenen is zo'n stoornis soms nog te traceren, maar met de leeftijd neemt de kans op succesvolle behandeling gewoonlijk af.
De symptomen zijn uiteenlopend en er kunnen ook verschillende oorzaken zijn. Sommige aandoeningen zijn blijvend, andere zijn tijdelijk. Soms ontstaan de symptomen als reactie op een schokkende ervaring, in andere gevallen ligt de oorzaak in erfelijke factoren of een lichamelijke ziekte. Ook omgevingsfactoren moeten in de gaten gehouden worden, evenals opvoedingsfactoren.
Bij onderzoek is het van belang dat gelet wordt op alle factoren die bij de ontwikkeling van het kind van belang zijn, omdat deze doorlopend van invloed op elkaar zijn. Zo kunnen kinderen met een lichamelijk probleem aangetast worden in hun gevoel van eigenwaarde en zich hierdoor minder sociaal opstellen. Dit wekt een reactie op van de omgeving, die vervolgens weer van invloed is op de psyche van het kind. Dit is slechts een voorbeeld van hoe een wisselwerking van verschillende factoren zijn uitwerking kan hebben.
Het DSM-IV onderscheidt de volgende groepen ontwikkelingsstoornissen:
Oppervlaktedyslexie wil zeggen dat men problemen heeft met het herkennen van het woordbeeld. Het is een vorm van dyslexie.
Elk geschreven woord activeert (bij het lezen) 3 kenmerken daarvan in het brein :
Oppervlaktedyslecten "scannen" woorden en slaan het geschreven woord op als een totaalplaatje zonder veel details. Letter voor letter het plaatje oproepen lukt niet echt en daarom is spellen voor oppervlaktedyslecten vaak lastig. Om het "gedetailleerde" plaatje te leren herkennen kun je als oppervlaktedyslect "voelend" gaan werken: Veel schrijven zodat je vanuit je pen voelt, of juist typen (dit laatste werkt niet voor iedereen). Ook kun je de letters in kleivorm of houtvorm leggen om een woordbeeld op detail te voelen.
Het woord oppervlaktedyslect zegt letterlijk wat deze mensen ook ervaren:
Oppervlaktevlaktedyslexie verschilt sterk van fonologische dyslexie, want daar is het net andersom: men heeft geen moeite met het woordbeeld maar juist met het uitspreken van woorden.
Vaak worden (uit noodzaak) ook andere delen van het brein geactiveerd, dit maakt dyslecten vaak creatiever dan gemiddeld.
Het begrip ouderverstotingssyndroom is een vertaling van het Engelse Parental Alienation Syndrome (PAS). Het is een afwijking waarbij kinderen geobsedeerd zijn door een ongerechtvaardigde afwijzing van een ouder. Dit syndroom is, in eerste instantie, als zodanig beschreven door de Amerikaanse psychiater Richard A. Gardner (1931-2003).
Een passagère ticstoornis is een psychische aandoening, die voldoet aan de algemene criteria voor ticstoornissen, maar waarvan de symptomen niet langer dan 12 maanden aanwezig zijn.
De tics die het meest optreden zijn schokken met het hoofd, grimassen en knipperen met de ogen. Andere tics zijn echter ook mogelijk.
In de ICD-10 is de aandoening opgenomen als afzonderlijke stoornis (F95.0). In de DSM-IV-classificatie is de aandoening vermeld onder de code 307.21.
Pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet anders omschreven (Pervasive Developmental Disorder - Not Otherwise Specified) is een groepsnaam voor symptomen die niet onder andere stoornissen te plaatsen zijn. PDD-NOS maakt deel uit van het autismespectrum. Juist omdat PDD-NOS een restgroep is kunnen verschillende kenmerken op de voorgrond staan, bijvoorbeeld die van autisme of ADHD. De Nederlandstalige afkorting is POS-NAO, maar vaak wordt de Engelse afkorting PDD-NOS gebruikt. Het is een diagnose volgens de indeling van het handboek DSM IV.
Onder PDD-NOS vallen stoornissen die niet voldoen aan de criteria van de andere aandoeningen in de groep pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Vooralsnog is ook de meervoudig complexe ontwikkelingsstoornis (MCDD) hierbij ondergebracht. Omdat PDD-NOS een restgroep is en de symptomen in vorm en intensiteit uiteenlopen, zijn er geen 'harde' criteria. Wel bestaan er enige richtlijnen: Er is een duidelijke achterstand of beperking in de sociale interactie; daarbij bestaan er tekortkomingen in de (non-)verbale communicatievaardigheden of is er sprake van stereotiep gedrag en interesse. In de differentiaaldiagnose moet worden uitgesloten dat er sprake is van een andere pervasieve ontwikkelingsstoornis. Ook moet, met name bij volwassenen, worden uitgesloten dat de symptomen het gevolg zijn van schizofrenie, schizotypische persoonlijkheidsstoornis of ontwijkende persoonlijkheidsstoornis.
Reactieve hechtingsstoornis is een psychische aandoening die in het DSM-IV is ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen. De aandoening ontwikkelt zich in de eerste vijf levensjaren. Het DSM-IV onderscheidt het geremde (waakzaam, terughoudend) en het ongeremde type (gebrek aan onderscheid). In het ICD-10 is het ontremde type afzonderlijk beschreven (F94.2).
Kinderen die aan deze stoornis lijden, slagen er niet in om zich op een gepaste wijze emotioneel te hechten aan hun ouders of anderen die voor hen zorgen. De oorzaak kan liggen in verwaarlozing of mishandeling (geestelijk of lichamelijk), maar kan ook ontstaan als het kind niet voldoende gelegenheid krijgt om emotionele banden te vormen, bijvoorbeeld als het regelmatig andere verzorgers krijgt.
Emotioneel zijn de relaties van het kind korter en oppervlakkiger dan normaal. Het reageert op jongere leeftijd teruggetrokken of overdreven waakzaam. Ook zijn de reacties vaak onvoorspelbaar: het kind wijst soms toenadering van verzorgers af, is vaak overdreven waakzaam of verzet zich tegen troosten, gedraagt zich teruggetrokken en kan sociaal geïsoleerd raken (geremde type). Op wat oudere leeftijd maakt het kind vaak te weinig onderscheid tussen vertrouwde en onbekende personen (ontremde type). Soms slaat het gedrag om in een korte, maar zeer sterke aanhankelijkheid, ook bij relatief onbekenden. Het kind is verminderd gevoelig voor straf of pogingen het gedrag te corrigeren.
De ernst en duur van de aandoening is afhankelijk van een aantal factoren, maar over het algemeen treedt een sterke verbetering of genezing op als het kind in een veilige en verzorgende omgeving wordt ondergebracht. De reactieve hechtingsstoornis is gevoelig voor comorbiditeit. Zo kunnen groei-, leer- en eetstoornissen (bv. pica) optreden. Een verleden van RHS speelt op later leeftijd soms een rol bij het ontstaan van angst- of gedragsstoornissen.
Voor diagnose moet worden vastgesteld dat er geen sprake is van mentale retardatie of een pervasieve ontwikkelingsstoornis.
Ruminatiestoornis is een eetstoornis waarbij de patiënt regelmatig voedsel uit de maag opbrengt en herkauwt zonder dat er sprake is van misselijkheid. Aangezien de aandoening zich voornamelijk bij (jonge) kinderen voordoet, is deze ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen. De naam is afkomstig van het Latijnse ruminare, herkauwen.
Soms wordt het gedeeltelijk al verteerde voedsel uitgespuugd, maar in andere gevallen weer ingeslikt. De aandoening kan leiden tot ondervoeding en gewichtsverlies, dehydratie en groeiproblemen. In ernstige gevallen kan de dood het gevolg zijn.
Voor diagnose is vereist dat dit gedrag zich minimaal een maand lang herhaalt na een periode van normaal eetgedrag. Er moet worden uitgesloten dat het gedrag het gevolg is van een aandoening van het maag-darmstelsel of een aandoening als oesofagale reflux.
De symptomen kunnen zich ook voordoen bij anorexia nervosa of boulimia nervosa. Ook worden ze gezien bij mentale retardatie en sommige pervasieve ontwikkelingsstoornissen.
Schizoïde spectrum of schizofrenie spectrum is een term die wordt gebruikt voor de visie dat de schizoïde stoornis en daaraan verwante aandoeningen een continuüm vormen, waarbij de symptomen als glijdende schaal kunnen worden beschreven. Het schizoïde spectrum sluit aan op het autismespectrum. .
Afwijkingen in het schizoïde spectrum ontstaan veelal tussen 15-30 jaar. De afwijkingen kunnen ineens ontstaan. Veelal is er bij mensen met een afwijking in het schizoïde spectrum in de jeugd sprake geweest van een vermoeden van een afwijking in het autismespectrum. Er vindt dan een omslag plaats vanuit het autismespectrum naar het schizoïde spectrum.
Selectief mutisme is een zeldzame psychische aandoening die bij kinderen optreedt. In het DSM-IV is de aandoening ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen. In het DSM-IV-TR wordt selectief mutisme omschreven om blz. 111. Kinderen met deze aandoening zijn wel in staat te spreken en begrijpen de taal goed, maar spreken niet in bepaalde sociale situaties, terwijl dat wel wordt verwacht. Op andere gebieden functioneren de kinderen in principe normaal.
Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat een kind in de peuterspeelzaal of op school lange perioden niet spreekt, terwijl het zich thuis verbaal wel normaal gedraagt. De zwijgzaamheid kan ook optreden als er vreemden in de buurt zijn.
Separatieangst, separatieangststoornis of verlatingsangst is een psychische aandoening die zich bij kinderen (meestal tussen zeven en negen jaar oud) en soms jongvolwassenen (tot achttien jaar) kan ontwikkelen. In het DSM-IV is de aandoening ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen.
Stereotiepe-bewegingsstoornis is een psychische aandoening die is ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen, maar zich ook op latere leeftijd kan voordoen. Bij deze aandoening vertoont iemand herhaalde en niet-functionele (vaak ritmische) bewegingen die kunnen leiden tot verwonding of die het normaal functioneren hinderen.
Veelvoorkomende verschijnselen zijn spelen of zwaaien met de handen, schommelende bewegingen, gooien met voorwerpen, met het hoofd op een hard oppervlak slaan, zichzelf slaan of bijten.
Er zijn indicaties dat slaan met het hoofd vaker bij jongens/mannen voorkomt en zich zelf bijten meer bij meisjes/vrouwen.
Als er sprake is van mentale retardatie, moeten de symptomen sterker zijn dan normaal. Verder moet worden uitgesloten dat het gedrag een gevolg is van dwanggedrag (OCS), een ticstoornis, een pervasieve ontwikkelingsstoornis of trichotillomanie (haren trekken). Ook moet bij diagnose worden uitgesloten dat het gebruik van middelen (geneesmiddelen, drugs) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld) tot de symptomen leidt.
Stotteren wordt omschreven als "onregelmatigheden in het spreekritme, waarbij de spreker precies weet wat hij wil uitdrukken maar daar op het ogenblik niet in slaagt, doordat zich een onvrijwillige herhaling, verlenging of onderbreking van een klank voordoet". In het DSM-IV is stotteren ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen.
Stotteren heeft twee verschijningsvormen: het openlijk en het verborgen stotteren. Het openlijk stotteren zijn de blokkades, herhalingen en ongewilde pauzes tijdens het spreken. Het verborgen stotteren blijft voor de buitenwereld onzichtbaar, maar is vaak nog veel belangrijker dan het openlijk stotteren: het vermijden van moeilijke woorden, de spreekangst en de minderwaardigheidsgevoelens. Om deze reden wordt stotteren vaak vergeleken met de metafoor van de ijsberg. Het gedeelte van de ijsberg dat boven het wateroppervlak uitsteekt, is het openlijk stotteren. Het gedeelte van stotteren dat onder het wateroppervlak verborgen blijft, is vaak veel groter maar wordt door buitenstaanders niet waargenomen.
De exacte oorzaak van stotteren is nog niet achterhaald. Er is enkel bekend dat stotteren een coördinatiestoornis is in de hersenen, waardoor stotteraars er niet in slagen om hun gedachten vloeiend te articuleren.
Er wordt aangenomen dat stotteren een genetische oorzaak heeft, want stotteren komt vaak in dezelfde families voor. Daarnaast blijken mannen veel meer last te hebben van stotteren: 80% van de stotteraars zijn van het mannelijk geslacht. Ongeveer 1% van de bevolking stottert, zo'n 60 miljoen mensen in totaal. In België zijn er 100.000 stotteraars, in Nederland 170.000. In heel Europa hebben 3.740.000 mensen last van stotteren.
In de loop der jaren zijn reeds vele stottertherapieën ontwikkeld. Grosso modo zijn ze in twee grote families in te delen: stuttering modification en fluency shaping. Bij stuttering modification wordt stotteraars geleerd om vloeiend te stotteren en wordt vooral aan het verborgen stotteren gewerkt, terwijl bij fluency shaping gestreefd wordt naar een vloeiender spraak.
De desintegratiestoornis van de kinderleeftijd, ook wel syndroom van Heller genoemd, is een psychische aandoening die in het DSM-IV is ingedeeld bij de pervasieve ontwikkelingsstoornissen.
Kinderen met deze aandoening ontwikkelen zich de eerste twee jaar (of langer) van hun leven normaal, maar voor het tiende levensjaar raken ze eerder opgedane vaardigheden op het gebied van taal, sociaal gedrag, communicatie en motoriek weer kwijt. Verder gaan ze beperkt, repetitief of stereotiep gedrag vertonen. In enkele opzichten vertoont de aandoening overeenkomsten met het syndroom van Rett.
In sommige gevallen gaat aan de aandoening een fase vooraf waarin het kind prikkelbaar, angstig of hyperactief wordt. In gevallen waarin een progressief neurologisch probleem kan worden aangetoond, zijn de symptomen vaak ook progressief. In de meeste gevallen stabiliseert de aandoening zich echter en soms treedt ook een lichte verbetering op.
De prognose is slecht: in de meeste gevallen ontstaat blijvende mentale retardatie. Het is vooralsnog onduidelijk of er een relatie met autisme bestaat, omdat in bepaalde gevallen een specifieke hersenstoornis als oorzaak aangewezen kan worden. De diagnose wordt nu gesteld op grond van gedragskenmerken.
Het DSM-IV geeft de volgende criteria voor deze ontwikkelingsstoornis:
Een ticstoornis is een neurologische of psychische aandoening die het optreden van tics als belangrijkste kenmerk hebben. Dit zijn spontane, reflexachtige bewegingen of vocale uitingen.
In het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders zijn ticstoornissen ingedeeld bij de ontwikkelingsstoornissen. Het handboek onderscheidt de volgende ticstoornissen:
Het ICD-10 beschrijft ook de passagère ticstoornis, waarbij de tics minder dan een jaar aanwezig zijn.